Bouwkundig detailleren voor tekenaar en ontwerper:

Het tonnensysteem.

Voor de volgende onderwerpen ga naar:

algemeen;


 

Algemeen:

Een niet volledig dichte beerput op voldoende afstand van een waterpomp was, afhankelijk van het plaatselijk grondwaterpeil en de onderaardse stromingen, in het verleden meestal geen probleem.
zie extra   Dit veranderde door de hiervoor genoemde inzicht in de kennis over gevolgen van bodem- en oppervlaktewater vervuiling. Open putten hadden echter wel het voordeel dat zij niet zo snel behoefden te worden leeggeschept, want een gemiddelde standaard put was bij een gezin van 7 personen en afvoer van urine via een overloopgoot of niet dichte bodem pas na 3 jaar propvol. Daarnaast ging men, na eind 1800, door de industriële revolutie en de daarbij toenemende stadsbevolking leegkomende herenhuizen splitsen en de daarbij behorende tuinen volbouwen met extra woningen.

Om de hygiënische toestand in de stedelijk gebieden te verbeteren begon men daarom ,rond 1870, naar Frans voorbeeld, met het inzamelen van menselijke afvalstoffen via een tonnetjessysteem, waarbij met behulp van een ophaalsysteem met karren menselijke afvalstoffen (urine en fecaliën) in stedelijke gebieden werden ingezameld.

Het grote voordeel hiervan was dat men bij nieuwbouw geen beerput meer nodig had, hetgeen door de stedelijke verdichting bij een open put een steeds groter probleem voor de vervuiling van grond- en oppervlaktewater begon te worden.

Ook was het ophalen via het legen van de tonnen simpeler dan het het legen van de beerputten door speciale ‘secreet reinigers’ ook wel ‘heren van de beer’ genoemd.

In veel gevallen werd het ingezamelde materiaal gebruikt als meststof in de landbouw.
zie extra   Maar het ophalen bleef een probleem.

 

  Door de uitvinding van de kunstmest in 1890 zakten de prijzen voor nutriënten en werd de handel in stedelijke meststoffen minder lucratief.
Hierdoor raakte het tonnetjessysteem langzaam uit de gratie, maar de laatste tonnetjes verdwenen in Nederland (Goes) pas in 1978.
 

 

Hierdoor klinkt de benaming tonnenstelsel ouderwets, maar het is in feite de voorloper van de de DIXI op de bouw en de chemische toiletten in caravans.


 

In 1876 werd daarom besloten om ook hier in Culemborg dit stelsel in te voeren en hiervan werd volop gebruik gemaakt, zo ook bij de herenhuizen op het Voorburg. Met als extra voordeel dat het personeel een eigen ton had.

Wel was door de invoer van dit tonnenstelsel een speciaal stortterrein noodzakelijk gelegen achter de poort waar nu de Gelddijk ligt.

  De tonnen werden na leging weer teruggezet in een daarvoor geschikt gemaakt privaat met een uitbeembare achter- of zijwand en een eveneens wegneembare bril, waaraan aan de onderkant een gegalvaniseerd ijzeren trechter was geschroefd voor aansluiting op de ton. Gezinnen kregen een ton in bruikleen en al gauw werden er per week zo’n 700 tonnen opgehaald.
Dit lijkt veel op een inwonersaantal van 6725 maar als er in herenhuizen en openbare verblijfseenheden er al meerdere stonden, dan is het aantal toch niet zo groot en veranderde voor de gewone burger niet echt snel veel.

Er was echter ook een nadeel, want deze tonnen, welke overal konden worden geplaatst werden ook vooral gebruikt bij splitsing van woningen die daarvoor niet geschikt waren.
Zie hiervoor de meest bekende foto van een keuken uit 1934 met in de hoek een open privaat en daarboven een losse plank welke dienst doet als aanrecht. De keuken en privaat stonden in een woning waarin woonde een gezin bestaande uit man, vrouw en 9 kinderen.

 

 

Doch ook de Acht Zaligheden een in rond 1899 voor het bisschoppelijk kleinseminarie in Chalet-stijl gebouwd toiletgebouwtje kon deze tonnen ook heel goed gebruiken.
zie  voor afbeelding het subonderwerp "Openbare toiletruimten (prive)"
van het onderwerp "Openbare toiletruimte algemeen" behorende bij het onderdeel "keukens / sanitair - sanitair".

 


Bouwkundig detailleren voor tekenaar en ontwerper:
dd: 01-09-2025 (01-09-2026 update)

 

 
klik hier om naar boven te gaan


 

 

 extra informatie behorende bij:
Het tonnetjessysteem algemeen:
klik hier om naar boven te gaan

John Snow:

In 1834 werd Europa getroffen door een grote cholera-epedimie, waarna een groeiende interesse in de hygiënische situatie in de steden ontstond.
De Britse medicus John Snow toonde in 1849 aan dat infectieziekten zoals cholera worden verspreid door vervuiling van drinkwaterbronnen met menselijke afvalstoffen, en niet via de lucht, zoals tot dat moment werd aangenomen.

Duidelijk werd dat in veel stedelijke gebieden, de bronnen van drinkwater (grondwater, oppervlaktewater) in toenemende mate vervuild raakten door beerputten en lozingen, en dat de bevolking daardoor blootstond aan infectieziekten.
 

 


 extra informatie behorende bij:
Het tonnetjessysteem algemeen:
klik hier om naar boven te gaan

fragment uit:  tma.socsci.uva.nl/11_1/poepverwijdering.pdf:

Het verschil tussen het tonnenstelsel en de tot dan gangbare pacht van de faecaliënophaal was de regelmaat en de betrouwbaarheid die de gemeentebesturen van een centraal en gemeentelijk georganiseerde dienst verwachtten.
Aan het begin van de eeuw waren gemeenten nog geneigd dergelijke diensten als een taak voor particuliere ondernemers te beschouwen. Na 1850 ontwikkelden zich in de gemeenten nieuwe organisatievormen om het hoofd te bieden aan de problemen van verstedelijking. Een groot aantal gemeentelijke reinigingsdiensten is dan ook ontstaan met als hoofdtaak de ophaal en de verwerking van poep door middel van het tonnenstelsel en het leeghalen van beerputten en daarnaast de ophaal van droog afval en de stadsreiniging.
Hoezeer men op de ophaalsystemen studeerde, het lukte niet om lekkages en stankverspreiding uit te roeien. De ironische uitdrukking ‘Boldootkar’ spreekt wat dat betreft boekdelen.